Met deze dichtbundel wil de auteur een gedeeld existentieel ongemak aanraken. Zevenenzeventig gedichten geven het woord aan leven en dood, tijd en herinnering, afscheid en eeuwigheid. Op de poëtische scène staan veelal archetypische figuren; het ‘ik’ is slechts een ongemakkelijke en eerder onhandige toeschouwer die weifelend haar weg zoekt tussen zachtheid en hardheid, droom en werkelijkheid, verzet en overgave. Daarbij wordt er bewust gekozen voor archaïsche taal, want woorden mogen weerbarstig zijn. Woorden mogen wegen, wringen en hopelijk op die manier iets tijdloos blootleggen. Daarenboven keren enkele motieven met bijna grijze regelmaat terug, in een poging het geheel bij elkaar te houden. Verbonden met een eerder rafelige rode draad en een flinke portie wauwelende weemoed, om je enigszins schaamteloos in te wentelen. De zeven delen van elf gedichten vormen het raamwerk van deze bundel. Het getal zeven roept een verlangen op naar heelheid, terwijl elf herinnert aan de onvolm...
- Link ophalen
- X
- Andere apps